vrijdag 30 november 2012

Noemen & heten, deel 2

Onder mijn eerste blogverhaal over noemen en heten, kreeg ik een reactie waar ik graag een antwoord op wilde geven. Aangezien ik om de een of andere reden het niet klaarspeel om op mijn eigen blog te reageren, en omdat het toch de moeite loont om er dieper op in te gaan, wijd ik er een nieuwe blog aan. Dit is de reactie (van 'plaatsman').

'Natuurlijk is het wel zinvol om het Nederlands met zijn naaste verwant te vergelijken. Als het noordelijker moet: ook in het Fries wordt er onderscheid tussen "hjitte fan" en "neame" ("se hjit fan Aaltsje, mar se neamt harsels Nynke"). Daarnaast heb ik het ook over de gewone spreektaal in Nederland gehad, waar "noemen" nooit met een onovergankelijke betekenis wordt gebruikt.

Uit welke etymologische woordenboeken blijkt dat dit vroeger wel zo was? Bij Philippa lezen we dat "heten" oorspronkelijk vele betekenissen had, en ook met "noemen" kon samenvallen, maar zich uiteindelijk heeft verengd tot de huidige betekenis; bij "noemen" wordt dan weer niks gezegd over een onovergankelijke betekenis in bv. het Middelnederlands, er wordt hiervoor alleen naar het moderne Belgisch-Nederlands verwezen. De betekenisverruiming lijkt me dus toch best recent.'

Ik zal nooit ontkennen dat je talen kunt vergelijken, en zeker verwante talen. En er zullen uiteraard gelijkenissen tussen die verwante talen zitten, dat heb je nu eenmaal met broers en zussen en neven en nichten. Maar je moet hier wel mee opletten.

1) Je kan gelijkenissen tussen talen, verwant of niet, niet gebruiken als 'bewijs' voor taalontwikkeling. Je kan dus niet zeggen 'het is in het Duits zo, en dus zal het in het Nederlands ook zo zijn.' Dat is als beweren: 'Kijk, je moeder en je zus hebben blauwe ogen, en jij dus ook.' Je kan hooguit zeggen: 'kijk, kijk, hier hebben we te maken met een overeenkomst.'

2) Als we het over taalontwikkeling door de eeuwen heen hebben, is het nog lastiger om standaardtalen als 'het' Nederlands en 'het' Duits als startpunt te nemen. 'Het' Nederlands is namelijk enkele honderden jaren geleden geconstrueerd op basis van de dialecten uit de toenmalige toonaangevende regio. En dat was Holland (ongeveer de huidige provincies Noord- en Zuid-Holland). 'Het' Nederlands is dus een soort uitgepuurd Hollands met wat handige invloedjes uit het oosten en noorden van Nederland, en nog een beetje uit het zuiden. Van dat laatste is altijd gezegd dat die invloed behoorlijk was door de gevluchte intelligentsia uit dat zuiden, en met name Antwerpen. Nicoline Vandersijs heeft intussen in haar boek 'Taal als mensenwerk' aangetoond dat die invloed niet overschat mag worden (zie deze link). Die is heel beperkt gebleken. Met andere woorden, je kan aan de hand van het Standaardnederlands weinig tot niets zeggen over hoe de werkwoorden 'noemen' en 'heten' gebruikt worden of geëvolueerd zijn in het zuidelijke Nederlands. Die dialecten, en dus ook de regiolecten en inmiddels de meer algemeen Vlaamse spreektaal die hierop (met name de Brabants/Antwerpse) is gebaseerd, zijn even sterk verwant met die Hollandse basis van de Nederlandse standaardtaal als met pakweg het Fries. Of beter gezegd, met de Friese dialecten. Je ziet die afstand overigens mooi geïllustreerd op deze kaart.
Ik heb het in mijn vorige blog al vermeld: om hierover meer te weten, zou in de eerste plaats het huidige gebruik van 'heten' en 'noemen' in de zuidelijke dialecten bekeken moeten worden, zeker in de regio's waar de taal'fout' 'ik noem' heel frequent is.

3) Wat die etymologische woordenboeken betreft: dit is hetzelfde verhaal. In zo'n etymologisch woordenboek worden de regio's op een hoop gegooid, en daardoor krijg je de indruk dat er een betekenisverenging heeft plaatsgevonden bij 'heten' en 'noemen', en daarna een betekenisverruiming in het zuiden. Een ander plausibel scenario is echter dat men bij beide werkwoorden in oude (middeleeuwse) bronnen beide betekenissen heeft aangetroffen, waarbij de ene betekenis meer voorkwam in meer zuidelijke bronnen, en de andere in meer noordelijke. Of beide betekenissen in zuidelijke bronnen, en slechts eentje in noordelijke. Of dat er gewoon geen bronnen in het noorden waren, en wel in het zuiden (de oudste oorkonden in het (of beter, een) Nederlands stammen namelijk uit Brugge. In Holland is men pas een eeuw later begonnen met het 'Diets' als ambtelijke schrijftaal te gebruiken). Er zou ook hier, om duidelijkheid te krijgen, een nauwkeuriger onderzoek naar bronnen moeten gebeuren.
Dat die betekenisverruiming in het zuiden recent zou zijn (van de laatste twintig jaar bv.), dat betwijfel ik sterk. Het 'foute' gebruik van noemen gaat namelijk al enkele decennia mee in de taalzuiveringsboekjes, en blijkt dus bijzonder hardnekkig geworteld te zitten in de taal. Bovendien zijn er intussen mensen uit mijn kennissenkring die melden dat ze 'heten' gewoon niet kennen vanuit hun dialect (maar wel vanuit de standaardtaal). Dat kan een teken zijn dat de functieverdeling heten-noemen niet 'inheems' is.


----------------

Reactie op eerste reactie (het lukt me nog steeds niet om op de blog zelf te reageren. Ik overweeg stilaan een verhuis naar een andere blogsite)

Dank je voor uitleg, hier kan ik me best in vinden. Ik twijfel er ook niet aan dat er voldoende materiaal is, zowel historisch als recent, alleen heb ik het niet meteen bij de hand om te consulteren. Ik probeer binnenkort tijd te maken om na te gaan wat voor dialectdatabases er ook alweer online staan, en misschien vind ik dan wel een en ander. Wordt vervolgd, dus.

dinsdag 27 november 2012

Recensie van een snoepjespot

Een tweetal weken geleden deed ik mezelf een pleziertje door het boek 'Taaltoerisme', van Gaston Dorren, te bestellen. Ik volgde de auteur al even op Twitter, en ik vond zijn tweets, zijn taaljournaal en zijn website (http://) heel intrigerend. Het is de combinatie van vlotheid en juistheid die me bevalt. En daarom dacht ik: 'Kom, laat ik dat boek eens bestellen.'
Wel, ik heb het nu gelezen, en ik heb spijt. Dat ik het niet al veel eerder had leren kennen. Het boekje bestaat uit 53 hoofdstukjes, 2 tot 4 bladzijden lang, die allemaal een aspect van een of meerdere Indo-Europese talen belichten, en nu doe ik het boekje onrecht aan. Dit klinkt namelijk vrij zwaar en saai, en dat zijn deze tekstjes nu net niet. Hoewel er taalkundig best 'zware' onderwerpen aan bod komen (over naamvallen, of aspecten van het werkwoord bijvoorbeeld), zijn de stukjes allemaal heerlijk licht, humoristisch en vlot geschreven. Glimlachen met alle mogelijke manieren om in het Italiaans een kleine vrouw aan te duiden (donnina, donnetta, doonicina, donnicciola, donnuccia, enz., afhankelijk van hoe lief, onnozel, ... je haar vindt), medelijden hebben met die arme Bretoenen die amper in hun taal kunnen rekenen (achtenzeventig plus negenenvijftig wordt dan (3 x 6 + 3 x 20) x (7 + 1/2 x 100), waarbij de Bretoenen niet eens een woord hebben voor achttien en zestig), instemmend knikken bij de stelling dat Engels echt niks waard is als wereldtaal ('Het Engels dat ze [Spanjaarden, Russen, Chinezen] horen, verstaan ze moeilijk; het Engels dat ze laten horen, is moeilijk te verstaan') en met de kinderen in Monaco, die op school een taal moeten leren die bijna uitsluitend op school wordt gesproken, het Monegaskisch, meekreunen met die arme Azerbeidjanen (of Azeri's) die op een eeuw tijd drie verschillende alfabetten in gebruik hadden (wat klagen wij dus over een lettertje meer of minder). En vooral de herkenning bij zijn stukje over zijn moedertaal, zijn Limburgse dialect, en de ontdekking als taalkundige dat hij als kind spontaan een pak dingen vanzelf heeft geleerd en dus gewoon wist, en in de praktijk dus tweetalig bleek te zijn. ('Een tijdlang heb ik enigszins verbouwereerd door mijn eigen hoofd gedwaald - wat ik allemaal bleek te weten, zeg! Nooit geweten!') Die openheid en verwondering waarmee hij zowat elke mogelijke (Indo-Europese) taal benadert, het is verfrissend in een tijd waarin je te pas en te onpas geconfronteerd wordt met verkrampte pogingen om het Nederlands te 'beschermen' en zo 'zuiver' mogelijk te houden. Het stukje 'Het Onderelkaars en zijn buren' (over hoe de Luxemburgers met hun taal en hun buurtalen omgaan) gaat daar overigens lijnrecht tegenin.
Eigenlijk is Taaltoerisme opgevat als een reisgids, waarmee je open en onbevangen met vreemde talen kunt kennismaken, net zoals een reiziger zich kan laten verrassen door nieuwe, onverwachte en mooie plekjes. Je kan het van voor naar achter lezen, maar Dorren heeft ook een hele reeks toeristische 'routes' voorzien: per taalfamilie (Germaans, Romaans,...), thematisch (historisch, schrift, politiek-maatschappelijk,...), geografisch (het hoge noorden, richting Afrika, de Balkan, ...) en de Jenny-tocht, naar zijn co-auteur Jenny Audring.
Voor mij is het boek eerder een snoepjespot. Daar kan je ook op verschillende manieren van genieten: veel snoepjes kort na elkaar in je mond steken, of zo af en toe eentje. En je kan gewoon de snoepjes een voor een uit de pot nemen, maar je kan ook beslissen om eerst alle groene, en dan alle rode te nemen. Of eerst de gesuikerde snoepjes, en dan de zure. Of net op zoek gaan naar dat ene dropje dat ergens in het midden van die pot moet zitten. Het maakt allemaal niet uit, het blijft gewoon genieten.
Heb ik nu echt niets negatiefs te melden over dit boek? Jawel. Dat het te dun is. De snoepjes zijn veel te snel op ;-).

maandag 26 november 2012

Een symboolkwestie: noemen en heten

Start een debat rond correct taalgebruik in Vlaanderen, en binnen de kortste keren wordt het verwisselen van noemen en heten vermeld als toch het grote voorbeeld van slecht/foutief taalgebruik, gebrek aan taalkennis en taalverloedering.
Die verwisseling is volgens onze standaardtaal inderdaad een fout, maar het is toch bizar dat het telkens deze is die telkens opnieuw als voorbeeld komt bovendrijven, terwijl er nog tientallen even hardnekkige èn opvallende fouten zijn. Hoe komt dat toch?
Eerst en vooral: wat is de fout precies en waar komt ze vandaan?
Correct is: 'Hij heet Jan' en 'ze noemen hem Jan.' In het taalkunds wordt dat: 'noemen' is een perfectief werkwoord (de handeling is voltooid), 'heten' een imperfectief werkwoord (de handeling op zich is nog actueel).
'Hij noemt Jan' is dus verkeerd, volgens de regels van de standaardtaal, en bijgevolg alle mogelijke taalzuiveringsboekjes.
Gek, het is zo eenvoudig, de functies (of beter, 'aspecten') van deze werkwoorden zijn netjes verdeeld. Waarom blijft die fout dan zo hardnekkig bestaan? En waar komt die negatieve voorbeeldfunctie vandaan?
Vraag 1: de herkomst. Als je nagaat hoe deze twee werkwoorden in het verleden, voordat er van een standaardtaal sprake was, gebruikt werden, dan kom je plots tot de ontdekking dat die tweedeling er helemaal niet was. Heten betekent ook noemen, en noemen betekent ook heten. http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/heten
Ik vermoed dat toen in de zestiende-zeventiende eeuw de standaardtaal werd geconstrueerd, door taalbouwers die vooral streefden naar orde en logica in de taal, die tweedeling is vastgelegd. Twee werkwoorden die twee identieke aspecten of betekenissen hadden, dat kan toch veel logischer en efficiënter? Werkwoord 1 krijgt gewoon betekenis 1, en werkwoord 2 betekenis 2. Klaar. Dat is ook gebeurd met hen/hun/haar, en er worden nog steeds massa's fouten gemaakt tegen hen en hun.
Die fouten blijven namelijk hardnekkig, omdat de verdeling kunstmatig is. Ze is nooit 'vanzelf' natuurlijk in de taal terecht gekomen, maar ze is 'gemaakt', een bouwsel. En zulke bouwsels hebben slechts heel zelden echt succes, hoe hard taalzuiveraars en -verbeteraars er ook voor strijden.
Vraag 2: de aandacht. Zoals gezegd bestaan er honderden taalfouten die lijken op noemen/heten. Toen ik in mijn eerste twee jaren Germaanse zat, moesten wij een boekje uit het hoofd leren (Dag in Dag uit, van Woord tot Woord), met in het totaal vijfhonderd taalzuiveringskwesties. En dat waren nog maar de meest frequente (in Vlaanderen dus). Noemen/heten was er daar eentje van, samen met 'welk' (voor wablieft), de fameuze 'droogkuis', plaatsvinden/doorgaan, op punt stellen, enz. Allemaal even hardnekkig en 'fout'. Wat heeft noemen/heten dan wat mijn 499 andere kwesties niet hadden?

Wat nu volgt is pure speculatie, bewijs hiervoor heb ik niet.
Volgens mij heeft de carrière van noemen/heten veel te maken met de opkomst van de commerciële televisie, de angst voor de taalverloedering die hiermee gepaard ging (dat was een feit, zie voorbeelden in 'De Manke usurpator'), en de gewone Vlaming die plots op tv, tot dan hèt grote standaardtaalbastion, kwam en, vooral in spelletjesprogramma's, volop 'X Y noemt (waarbij X de familienaam is, en Y de voornaam), woonachtig is en werkzaam is'. Kon het gebrekkige Nederlands van die arme Vlaming nog explicieter zijn? Jan Hautekiet deed er in zijn radioprogramma Hallo Hautekiet (Studio Brussel) nog een schepje bovenop door systematisch het 'noemen/heten' van zijn gasten te verbeteren (naast 'plaatsvinden/doorgaan'), en de carrière was gemaakt. Maar ondanks die extra aandacht, ondanks dat voortdurende corrigeren, blijven die koppige Vlamingen zeggen: 'Ik noem X'. Hoe is het toch mogelijk.

Conclusie:
- Het is niet omdat het in de standaardtaal netjes geregeld was, dat het altijd zo geweest is. Natuurlijk gegroeide taal is niet 'netjes logisch en efficiënt', en al helemaal niet geregeld.
- Kunstmatige ordeningen en ingrepen in een taal maken weinig kans om effectief tot het gewone taalgebruik door te dringen. Noemen/heten is maar een van de honderden voorbeelden.
- 1 symbooldossier maakt of kraakt de taal niet. En meer nog, zelfs al wordt zo'n taalzuiveringskwestie een symbool dat iedereen wel kent, de 'fout' blijft hardnekkig bestaan. En dat is maar goed ook, want waarover zouden wij, de goede, ijverige standaardtaalsprekers, anders nog kunnen kankeren? ;-)

Bijna vergeten, mijn eigen opinie. Ik zal die er maar bij zetten, voor ik door anderen in een of ander pro- of contrahokje gezet word waar ik niet thuishoor. Wel, als het tot mijn taak (als vertaler, proofreader of taaldocent, en ook als moeder) hoort om correct standaardtaal te gebruiken, aan te leren of te corrigeren, dan zal ik dat doen. Dat is mijn job dan. Maar het is niet mijn job of mijn ambitie om *iedereen* standaardtaal te leren. Daarvoor hou ik teveel van taalvariatie, van registers en van evolutie. Bovendien primeren in mijn gewone contacten voor mij verstaanbaarheid en communicatie, en het is net nefast voor de communicatie om mensen te pas en te onpas te corrigeren. Je geeft daarmee aan dat je eigenlijk niet naar de boodschap luistert, maar naar de manier waarop ze praten. En je komt over als een onverbeterlijke betweter, of je nu gelijk hebt of niet. Ik vind dat het niet aan mij is te bepalen hoe andere mensen moeten spreken. Ze zijn groot genoeg om dat zelf uit te maken.

zondag 25 november 2012

Een testje

Afgelopen week heb ik bij wijze van test een enquête losgelaten op facebook. Enfin, enquête, ze bestond eigenlijk uit slechts twee vragen. Ik wilde hiermee een aantal dingen testen, voordat ik mijn echte, GROTE enquête lanceer. Omwille van die testfase heb ik het aantal invullers bewust laag gehouden (108), zodat ik gemakkelijker kan 'spelen' met de gegevens. Dat betekent natuurlijk wel dat er geen enkele conclusie uit getrokken kan worden die ook maar enige wetenschappelijke waarde heeft. Toch wil ik graag, voor degenen die de moeite hebben genomen om de enquête in te vullen, wat percentages geven.

- 64% van de invullers waren vrouw, 36% man. Komt het doordat ik zelf een vrouw ben, of door het medium facebook? Geen idee, maar dat moet ik in de gaten houden.
Ook in de categorieën leeftijd en opleiding is er een overwicht aan mensen die ongeveer dezelfde leeftijd en hetzelfde opleidingsniveau hebben als ikzelf (42% van de invullers waren dertigers, 25% veertigers, resp. 38% zijn masters/licentiaten, 39% hoger niet-universitair onderwijs).
- Driekwart van de invullers hebben dan weer geen taalopleiding gehad (wat in verhouding nog relatief weinig is), en meer dan 90 procent is Vlaming. Dat is prima, want het is uiteindelijk de bedoeling dat de perceptie van de Nederlandse taalvarianten door Vlamingen wordt onderzocht.

En dan nu de vragen zelf. Opnieuw, met een steekproef die uit 108 mensen bestaat, vallen hier geen wetenschappelijk onderbouwde conclusies uit te trekken. Toch zijn er enkele interessante zaken komen bovendrijven.
De eerste vraag ging over de meest correcte definitie van standaardtaal. Een nipte meerderheid (51%) koos voor de tweede definitie ('Een standaardtaal is een taal met strikt vastgelegde regels en normen, maar waar in de praktijk lichte variatie mogelijk is. Mensen die af en toe een beetje van die regels afwijken, ook systematisch, spreken nog steeds standaardtaal.'). Hierop volgt, met 34%, de meest flexibele definitie, waarbij je kan stellen dat de standaardtaal gelijkgesteld wordt met een algemeen gangbare spreektaal ('Een standaardtaal is een taal die bijna iedereen uit het taalgebied begrijpt. Er zijn normen en regel, maar die moeten eerder als richtlijnen geïnterpreteerd worden dan als absoluut te volgen regels.'). 15% ten slotte koos voor de meest strikte definitie ('Een standaardtaal is een taal met strikt vastgelegde regels en normen. Mensen die hiertegen fouten maken, spreken geen standaardtaal'). Ik was hierdoor verrast, ik had niet verwacht dat de verdeeldheid hierover zo groot zou zijn, zelfs binnen deze beperkte steekproef. Het loont in ieder geval de moeite deze vraag in de definitieve enquête op te nemen.
In de tweede vraag wilde ik nagaan welke benaming voor de variant (of beter, varianten) tussen de standaardtaal en het dialect (of zelfs regiolect) bruikbaar is voor de rest van mijn onderzoek. Van alle mogelijkheden die ik suggereerde, scoorde 'tussentaal' heel goed (42%), gevolgd door Vlaams (29%) en Verkavelingsvlaams (19,6%). Blijkbaar is de term 'tussentaal' dus toch al vrij goed doorgedrongen, ten minste in mijn groepje informanten.

De start is genomen. Nu het èchte werk.

donderdag 15 november 2012

Uitspraak

Gisteren heb ik een discussiegroep op facebook opgestart, over het gesproken Nederlands in Vlaanderen. Die is al stevig uit de startblokken geschoten, en op een gegeven moment stelde een deelneemster de volgende vraag: 'hoe komt het dat de uitspraak van Vlamingen en Nederlanders zo kan verschillen?'
Wel, een taal bestaat uit verschillende aspecten, die je grosso modo kan verdelen in uitspraak (en intonatie), woordenschat en syntaxis (structuur/grammatica). Voor de verstaanbaarheid speelt de uitspraak hierbij een bijzonder belangrijke, zo niet de hoofdrol. Het valt dus extra op als daar verschillen zijn, nog meer dan bij woordenschat en zeker dan bij grammatica.
Nu, uiteraard verschilt de uitspraak van mensen van streek tot streek, zowel in Vlaanderen als in Nederland, en ook bij andere talen (vergelijk het Engels uit het zuiden van de USA maar eens met dat van het noorden). Maar daarover gaat het hier niet, denk ik. De vraag waarom de uitspraak van het Standaardnederlands in Vlaanderen en Nederland duidelijk uit elkaar aan het groeien is, is een stuk interessanter, omdat die al op het einde van de 19de eeuw genormeerd werd. Er bestaan dus regels voor, en je zou dus kunnen verwachten dat als iedereen zich aan die regels houdt, iedereen ook (ongeveer) dezelfde uitspraak heeft.
Wat is er dan aan de hand?

Ik ben zelf voor het eerst met die vraag geconfronteerd, toen ik als taaldocent Nederlands merkte dat ik de uitspraaktraining uit een Nederlandse lesmethode niet kan gebruiken in Vlaanderen. Niet alleen omdat de gesproken voorbeelden heel noordelijk klinken, maar ook omdat de richtlijnen noordelijk zijn (voorbeeld uit 'Taaltrainer': 'Om een goede ee-klank te maken, moet je de ee uitspreken met een lachende mond. En de ee-klank moet eindigen met een j; dit klinkt als eej'; in 'Nu versta ik je', een Vlaamse lesmethode voor uitspraak, is absoluut geen sprake van die j.) Nu wist ik wel dat die 'eej' (en ook 'oow' en verstemlozing van g, z, v) vrij normaal is in Nederland, maar niet dat dit dus ook zo aan anderstaligen aangeleerd wordt als de correcte, normale uitspraak. Daarom ben ik verder op zoek gegaan.

Taalkundige Marc Van Oostendorp maakte me attent op het doctoraat van Dick Smakman, die heeft uitgezocht wat de modale Nederlander nu ziet als de standaarduitspraak van het Nederlands. Dit onderzoek maakt een en ander duidelijk. In de eerste plaats dat de standaardisatie van Nederland vooral iets is van de twintigste eeuw (voor de gehele bevolking dan, daarvoor gebruikte een kleine elite al wel een Standaardtaal). De norm werd vooral verspreid via de 'nieuwe' media van toen: in de eerste plaats radio, later ook televisie. De uitspraak van de presentatoren gold (en geldt eigenlijk nog steeds) als de na te streven norm. Hij heeft dan fragmenten uit radioprogramma's tussen de jaren 50 en nu(die op zo'n manier bewerkt waren dat je aan de kwaliteit niet kan horen uit welke periode ze komen) door leken laten beoordelen, en het blijkt duidelijk dat de uitspraak van die presentatoren geëvolueerd is en een aantal meer typische randstedelijke kenmerken vertoont, en - vooral - dat de mensen de huidige uitspraak (eej, oow, de Nederlandse r, stemloze g, v, z) wel als standaardtalig beoordelen. Met andere woorden: de evolutie wordt geaccepteerd omdat ze algemeen is op radio en tv.
Een drietal weken geleden heb ik de kans gehad om een NOS-hoofdredacteur te spreken en ik heb hem gevraagd in hoeverre nieuwe tv-presentatoren bij hun sollicitatie beoordeeld worden. Hij antwoordde dat een mooie, duidelijke stem belangrijk is, en dat meer regionale accenten geen probleem zijn zolang ze de verstaanbaarheid niet in de weg staan. Er zijn dus geen concrete uitspraaknormen waaraan zo'n presentator of nieuwsanker moet voldoen.
In Vlaanderen is de situatie anders. Ook hier gelden nieuwsankers als voorbeeld (blijkt ook uit het doctoraat van Smakman), maar nieuwe mensen die als presentator (of journalist of nieuwsanker) willen werken, moeten eerst een stemtest afleggen waarbij ze onder meer ook beoordeeld worden op de 'neutraliteit' van hun uitspraak. De VRT heeft namelijk een taalcharter, waarin duidelijk wordt gesteld dat een neutrale, Belgisch-Nederlandse uitspraak de norm is, omdat de omroep als normbepaler (of beter, -verspreider) wil fungeren: http://www.vrt.be/taal/taalcharter, zie onder 'Uitspraak'. (bijgewerkt in 2007: http://www.taalmail.net/teksten/charter2007.pdf)
Terwijl men in Nederland dus geleidelijk aan meer regionale variatie toelaat in actualiteits- en duidingsprogramma's, die zelf door de Nederlanders als norm worden gezien, behoudt in Vlaanderen de VRT, en meer bepaald de nieuwsdienst, heel bewust haar voorbeeldfunctie.

Dit verschil in visie op taalnormering is het eerste belangrijke aspect waarom we uit elkaar groeien. Het tweede, en hierin kan ik korter zijn, is het verminderde onderlinge contact. Tot een stuk in de jaren 80 keken heel veel Vlamingen naar de Nederlandse televisie, omdat die op het vlak van entertainment een stuk beter was dan de Vlaamse. Op dat moment leek de Nederlandse uitspraaknorm ook nog veel meer op de Vlaamse. Met de komst van VTM, en later andere Vlaamse zenders, veranderde het kijkgedrag van de Vlaming grondig. Hij vond zijn entertainment op de commerciële Vlaamse zenders en had geen nood meer aan de Nederlanders. Net op het moment dus dat de uitspraaknorm in Nederland geleidelijk aan soepeler werd, viel het contact dat er via de media was dus voor een groot deel weg, en dat is een tweede belangrijke oorzaak van het uit elkaar groeien van die standaardtalige uitspraak.

Mij lijkt dit een relatief normale evolutie, die niet problematisch hoeft te zijn. Er zijn wel meer standaardtalen die verschillende 'substandaarden' hebben. Het Engels, maar ook het Frans, Spaans, Portugees, Duits,... Nergens wordt daar echt een probleem van gemaakt, men is er zich van bewust en dat is het dan. Laat dat voor het Nederlands ook de boodschap zijn.

woensdag 14 november 2012

Over zussen, kaarten en een beetje jaloezie

Vandaag kreeg ik de uitnodiging voor de doctoraatsverdediging van mijn zusje. Enfin, zus, want hoewel ze een stuk jonger is dan ik, is ze natuurlijk een volwassen vrouw. Volwassen genoeg alleszins om haar werkstuk, het resultaat van een aantal jaren hard werken, te verdedigen tegenover een jury van kritische vakgenoten. 'Maps, how do users see them?' is de titel. Zusjelief is namelijk geografe, of beter gezegd, cartografe. Ze heeft onderzocht hoe lekengebruikers (en dus geen professionals) digitale kaarten lezen, interpreteren en gebruiken. Heel interessant, zeker voor bedrijven die hiervan hun kernactiviteit hebben gemaakt, zoals google maps, tomtom en consoorten. En hoewel haar en mijn studie mijlenver uit elkaar lijken te liggen, is er toch een stevige overlap. Tijdens mijn carrière als wetenschappelijk medewerker bij dialectologie heb ik honderden kaarten gemaakt, en dat is niet overdreven. De cartografie is mij dus verre van vreemd. En nu zou ik graag met standaardtaal en tussentaal iets gelijkaardigs willen doen als zij met haar digitale kaarten, namelijk bekijken hoe leken hiermee omgaan en ertegenover staan. Niet als doctoraatsonderzoek, hoewel ik moet toegeven dat het verleidelijk is om met dit onderwerp te gaan leuren en zo proberen weer volledig in de wetenschappelijke wereld te staan. Want ik mis het wel, het ondergedompeld zitten in de wereld van het taalonderzoek. Maar er hangen zoveel verplichtingen en deadlines aan een doctoraatsonderzoek dat ik het toch liever vrijblijvender hou. Onderzoeken wat ik wil, wanneer ik wil en kan, en er af en toe eens een stukje over plegen, dat plan bevalt me meer. En heel misschien op die manier toch weer een teentje binnen steken in die wetenschappelijke wereld, dat zou mooi meegenomen zijn. Ik geef het toe, ik ben een beetje jaloers op zus. Maar ik hoop nog meer dat zij haar eigen weg kan maken, tussen de kaarten en de proffen. En dat ze ooit op een dag zelf een toffe prof wordt. Dat zou ook mooi zijn voor de toekomstige studenten cartografie.

vrijdag 9 november 2012

Stand van zaken

Alweer bijna een maand geleden sinds mijn laatste bericht, maar ik heb sindsdien niet stil gezeten. Het plan om uit te zoeken wat 'de gewone taalgebruiker' als standaardtaal en tussentaal beschouwt en hoe hij/zij daar tegenover staat, blijft overeind en is wat verder geconcretiseerd. Ik heb een paar stellingen opgeschreven en een begin van een onderzoeksplan gemaakt, maar ik ben vooral op zoek geweest naar wat er intussen al gepubliceerd is aan onderzoek rond Belgisch Standaardnederlands en tussentaal. Vooral kwestie van geen dubbel werk te leveren, als bepaalde stellingen al onderzocht zijn, dan ga ik dat niet opnieuw doen. Resultaat tot gisteren was dat ik heel wat masterverhandelingen en artikelen en enkele grotere onderzoeken (doctoraten) heb gevonden waarin aspecten van de tussentaal op zich onderzocht werden. Die onderzoeken vallen uiteen in twee groepen: 1) de beschrijving van de tussentaal als verschijnsel, dus op vlak van uitspraak, woordenschat en syntaxis/morfologie (hierbij wordt vooral gezocht naar kenmerken die algemeen in Vlaanderen lijken voor te komen) en 2) het gebruik van die tussentaal in verschillende media, vooral tv-programma's en reclame, maar ook bv. in het onderwijs. Maar ondanks dat er zeker massa's (vooral kranten)artikels bestaan met de mening van taalkundigen en taalmensen allerhande, is er dus geen of nauwelijks systematisch onderzoek te vinden naar de attitude en perceptie van de gewone, niet-professionele taalgebruiker tegenover hun taal. Tot vanmorgen. Sinds ik met dit project begonnen ben, en zeker sinds ik de opdracht heb gekregen om een inleidend tekstje te maken over de standaardisatiegeschiedenis in Vlaanderen en Nederland, heb ik verschillende contacten gelegd met taalwetenschappers aan de verschillende Belgische en Nederlandse universiteiten. Een van hen gaf me de naam door van een assistente aan de UGent, die net deze percepties onderzoek. Ik heb haar gisteren een mail gestuurd om meer info, en vandaag heeft ze me vrij uitgebreid geantwoord. Het ziet ernaar uit dan een gedeelte van mijn eigen vragen door haar onderzoek beantwoord gaan worden, maar niet allemaal. Wordt vervolgd, dus.