Achteraf bezien is dit toch een heel lang verhaal geworden. Daarom eerst een heel korte samenvatting, en wie er het fijne van wil weten, kan dan nog de hele lap lezen :-)
Siegenbeek heeft 3 hoofdregels voor zijn spelling:
1: de uitspraak, schrijf zoals je spreekt. Twee problemen: wat is een 'zuivere' uitspraak (zoals hij het uitlegt is dat 'welluidend' en naar de letter) en welke van de talrijke dialecten geldt als 'beschaafd'? Voor dat laatste kiest hij voor Holland, de meest beschaafde regio van het land.
2: de afleiding, om toch ook tegemoet te komen aan de herkomst, de oorsprong van het woord. Problemen hier: van niet elk woord is de herkomst bekend en 'ongeschoolde' taalgebruikers hebben daar nog minder kennis van. Daarom de beperking tot 'naaste en zekere' afleiding.
3: het gebruik, vooral om de tegenspraak tussen 'uitspraak' en 'afleiding' te verzoenen. Het is het meest vage criterium, het doet vooral beroep op de taalintuïtie van de taalgebruiker. Maar wie heeft regels nodig als een van de hoofdregels is: vertrouw op je buikgevoel?
----------------------------------------------------------------------------------------------
De dag van het Groot Dictee der Nederlandse Taal, het jaarlijkse feest der spelling, lijkt me een mooie dag om het eens over onze eerste spellingdeskundige te hebben. Niet dat er zich voordien niemand over spelling heeft gebogen, maar Matthijs Sigenbeek (1774-1854) is wel de eerste die een reeks spellingregels opstelde die het tot officiële schrijfwijze voor heel Nederland bracht (1803). Niet in Vlaanderen, dat toen bij het Frankrijk van Napoleon hoorde en waar Nederlands dus geen rol van betekenis speelde. Siegenbeeks spelling zou het uithouden tot 1883, toen De Vries en Te Winkel speciaal voor het Woordenboek der Nederlandsche Taal een spelling opstelde, die daarna door zowel Nederland als Vlaanderen als officiële spelling werd aangenomen.
Zijn eigenlijke verhandeling uit 1803 heb ik (nog) niet gevonden, maar wel zijn 'Kort Begrip der verhandeling over de Nederduitsche spelling', uit 1822. Ik heb nu zijn 'Eerste afdeeling. Over de algemeene regelen der spelling' gelezen, en dat maakt een en ander duidelijk. Ondermeer dat Siegenbeek een kind is van zijn tijd, een negentiende-eeuwse romanticus die de eigen moedertaal op hetzelfde 'beschaafde' niveau wil zetten als het Latijn en Grieks. Hij hecht ook belang aan de geschiedenis van zijn taal, 'het wezen van het woord'. Maar hij heeft ook wel zin voor realisme, hij streeft er vooral naar dat zoveel mogelijk mensen in staat zijn te leren schrijven, de spelling mag dus niet te moeilijk zijn. Spijtig genoeg geraakt hij in het verzoenen van die verschillende doelstellingen nogal in de knoop, net omdat ze vrijwel onverzoenbaar zijn.
Hij begint met zijn eerste 'grondwet der Spelling: schrijf, zoo gij spreek'. Fans van een puur fonetische spelling zullen dit graag horen. Hij noemt het 'Schrijven, dat is het zigtbaar voorstellen der hoorbare letterklanken'. Maar daar stuit hij al meteen op een groot probleem, namelijk de 'verscheidenheid van tongval, welke tusschen de bewoners van verschillende gewesten, ja van naburige steden heerscht', zeker in de eerste helft van de 19de eeuw. Maar hij heeft een oplossing: 'Rigt u in het schrijven naar de zuiverste en meest beschaafde uitspraak'. OK, beste Matthijs, maar waar vinden we die? Wel, zuiverheid wil zeggen 'vooreerst dat men aan de onderscheidene letters, bij het uitspreken, zonder vervalsching en verbastering, den klank geve, welke aan elk derzelve eigen is; ten andere dat men alle letters, welke tot een woord behooren, zoo veel mogelijk, volkomen en onvermengd doen hooren.' Dus betekent dit eigenlijk 'op de letter spreken'. Alleen moet je de letters zien om erop te kunnen spreken, denk ik. Dit lijkt me dus een cirkelredenering. Dan hebben we het woordje 'beschaafd' nog. Dat is 'die uitspraak, welke aan de meest beschaafde en geoefende volksklasse eigen is.' En waar vinden we dat toppunt der beschaving dan wel? Verrassing: 'in Holland, het aanzienlijkst en beschaafdst gedeelte der Republiek'. Bovendien moet de uitspraak 'welluidend' zijn, 'voor het oor aangenaam en behagelijk'. Hij besteed een volledige paragraaf aan het uitleggen van die welluidendheid, die erop neerkomt dat ze liefst zo dicht mogelijk aanleunt bij de 'Grieksche, Italiaansche en Fransche talen', die toen in hoog aanzien stonden. Grieks en Italiaans vanwege de link met Oud-Grieks en Latijn, en Frans vanwege het meer moderne prestige.
Siegenbeek merkt zelf dat hij toch in de knoop komt met zijn eerste Hoofdregel, en vult die dus meteen aan met een tweede 'de noodzakelijkheid van het acht geven op de afleiding'. Met andere woorden, je moet ook rekening houden met de afkomst van het woord. Reden hiervoor: 'het denkbeeld eener geheel zuivere en volkomene uitspraak [is] louter hersenschimmig'. Hij ziet dus zelf dat hij er met puur fonetisch schrijven niet komt, en om zijn spelling toch eenparig te krijgen, haalt hij er de afleiding bij. Opdat 'de kennis van de eigenlijke kracht en beteekenis der woorden bewaard blijven, welke kennis, tot groot nadeel der duidelijkheid, hoe langs hoe meer verdonkerd moet worden en eindelijk geheel verloren gaan, wanneer de uitspraak allen de spelling regelt.' We zitten in de 19de eeuw, een eeuw waarin heel wat humane wetenschappen ontstaan zijn. Niet alleen de taalkunde valt daaronder, maar ook de geschiedenis. Vandaar dat ook Siegenbeek hier belang aan hecht. Maar ook hiermee geraakt hij flink in de knoop, want uiteraard kennen we niet van alle woorden hun oorsprong, en zelfs als de taalkundigen die kennen, dan nog kent de gewone taalgebruiker die niet. Siegenbeek weet best dat je niet van een hele bevolking kan eisen eerst uitgebreid etymologie te studeren voor ze kunnen leren schrijven. Daarom past hij zijn regel aan: het moet gaan om de 'naaste en zekere' afleiding. Het moet voor iedereen gewoon duidelijk zijn dat het een afleiding is, en dan mag, nee moet die in de spelling worden weergegeven. Alleen als afleiding en uitspraak met elkaar in tegenspraak komen, wint de uitspraak. Je zegt 'tam' en 'temmen', en dus ga je niet 'tammen' schrijven, hoewel 'temmen' een afleiding is van 'tam'. Verstandig man toch, die Siegenbeek.
Hij noemt die verzoening van 'uitspraak' (met welluidendheid) en 'afleiding' zijn derde Hoofdregel, het 'gebruik'. Het draait bij deze regel om de vraag of verschillende betekenissen van een woord in de spelling tot uiting moeten komen, en of elke 'afleiding' een spellingsverschil moet veroorzaken; Dit gebruik lijkt de meest willekeurige van de drie hoofdregels, dat ziet hij zelf ook in, maar hij verantwoord zich ook hiervoor vrij uitgebreid. Ik heb 'tam' vs. 'temmen' al aangehaald. In de andere richting haalt hij 'arm' (lichaamsdeel) en 'arm' (niet rijk) aan, een woord met totaal onderscheiden verschillen waarbij het compleet absurd zou zijn om om die reden een spellingsverschil te forceren. Hij wijst dat dus ook radicaal af. Zijn probleem is nu dat dat 'gebruik' iets heel vaags blijft. Hij probeert het nog als volgt te definiëren: 'Welbegrepen doch is het gebruik niets anders dan de duidelijke verklaarde wil van het grootste deel, of liever, enkelen uitgezonderd, van de gansche menigte der sprekenden en schrijvenden.' Kortweg: zoals de meesten het willen, zo is het het beste. Een vrij wankele basis voor een officiële schrijfwijze. Hij dekt zich daar zelfs tegen in, door te stellen dat het iedereen vrij staat om zich tegen het algemene gebruik te verzetten, als men merkt dat de spelling toch niet klopt volgens de uitspraak of de 'afleiding'.
Uiteindelijk heeft hij het nog even over leenwoorden: 'Men schrijve de woorden eener tale met die letterteekenen, welke in die taal aangenomen zijn, en tot dezelve behooren.' Je schrijft ze dus zoals ze in de originele taal geschreven zijn. Deze stelling luidt de intrede in van c, q, x en y in, lettertekens die we voor van oorsprong Nederlandse woorden niet nodig hebben.
Conclusie: Siegenbeek doet zijn uiterste best om een spelling te maken die zowel eenvoudig (en dus makkelijk leerbaar) als duidelijk als consequent is, met respect voor de geschiedenis van de taal. En net vanwege al deze streefdoelen, zet hij ze op de helling. Uitspraak is niet voldoende, want er is geen ene zuivere, beschaafde uitspraak. Met afleiding kan je niet te ver gaan, want dan offer je de duidelijkheid op en loop je het risico lijnrecht tegen 'uitspraak' in te gaan. En 'gebruik' is zo vaag, en gebaseerd op wat 'de meerderheid' ervan denkt, dat je dat nauwelijks als basis voor een eenduidige, consequente spelling kan zien. Ik hoop dat de Tweede afdeling 'over de geschilpunten in de spelling der Nederduitsche taal' hier wat helderheid in zal brengen.
woensdag 14 december 2011
woensdag 7 december 2011
Spelling: een geschiedenis (3)
De geschiedenis van onze spelling, het is een serieus ambitieus project. Daarom, en omdat ik periodes heb dat ik er even niks aan kan doen (ik ben nu eenmaal ook een werkenden mensch), ga ik het onderverdelen in deelprojectjes, en me telkens op zo 1 deeltje concentreren. Tot nu toe heb ik in het wilde weg info zitten verzamelen, op allerlei vlakken, maar dat leidt alleen maar tot chaos. Eerst wat orde dus.
Grosso modo bestaat onze spellinggeschiedenis uit de volgende periodes:
- 13de tot 17de eeuw: dat is de periode waarin men wel in 'een' Nederlands schreef, maar zonder dat er ergens regels waren vastgelegd. Niet voor spelling, niet voor grammatica. Ik zeg daarom 'een' Nederlands, want de auteurs schreven in hun dialect. Correctie: in een regionaal opgepoetste versie van hun dialect, want ze (zeker de producenten van literaire teksten) waren zich er wel van bewust dat hun teksten buiten hun woonplaats begrijpelijk moesten blijven. Aangezien dit ook een serieuze historisch-fonologische studie vraagt, schuif ik deze periode even naar de achtergrond.
-17de tot 19de eeuw: in de 17de eeuw werd de Statenvertaling of Statenbijbel opgesteld en verspreid, de vertaling van de bijbel in de volkstaal. Opzet was een bijbel te maken die door elke gelovige gelezen en geïnterpreteerd kon worden, onder invloed van het opkomende protestantisme. Dit opzet heeft automatisch tot gevolg dat er een taal gehanteerd moest worden die door (zo goed als) alle Nederlandstaligen gelezen en begrepen moest worden. Naast de bijbel zelf werd dus het Nederlands als taal ook bestudeerd en beregeld, zodat we deze periode als de geboorte van het Nederlands als standaardtaal kunnen beschouwen. Vraag hierbij is: hoe werd de spelling geregeld? Ook deze periode schuif ik naar de achtergrond, omdat dat heel wat opzoekwerk gaat vragen.
-19de eeuw tot nu: in het begin van de 19de eeuw stelde Matthijs Siegenbeek voor het eerst èchte spellingregels op voor het Nederlands, een die in Nederland (niet in Vlaanderen, dat toen onder Napoleon zuchtte en waar het Nederlands niet meer dan een verzameling dialecten was) geruime tijd in gebruik is geweest. De spelling-Siegenbeek werd ondermeer opgevolgd door de spelling De Vries-Te Winkel, die nog steeds de echte basis is voor onze huidige spelling. Mijn opzet is nu al deze 'spellingen' door te nemen, en zo te weten te komen welke van de huidige regels uit die periode stammen en waarom ze nu zijn zoals ze zijn. Ik ben inmiddels begonnen met Siegenbeek, het is een stevig werkje (de Korte beschrijving telt bijna 300 pagina's) in een niet zo makkelijk leesbare taal. Zodra ik erdoorheen ben, schrijf ik een verslagje. Het is alvast duidelijk dat er zeker in die 19de eeuw stevig gebakkeleid is, en dat die heren geleerden dat bij voorkeur in diverse publicaties deden. Het leverde hen alleszins een lange bibliografie op. :-)
Grosso modo bestaat onze spellinggeschiedenis uit de volgende periodes:
- 13de tot 17de eeuw: dat is de periode waarin men wel in 'een' Nederlands schreef, maar zonder dat er ergens regels waren vastgelegd. Niet voor spelling, niet voor grammatica. Ik zeg daarom 'een' Nederlands, want de auteurs schreven in hun dialect. Correctie: in een regionaal opgepoetste versie van hun dialect, want ze (zeker de producenten van literaire teksten) waren zich er wel van bewust dat hun teksten buiten hun woonplaats begrijpelijk moesten blijven. Aangezien dit ook een serieuze historisch-fonologische studie vraagt, schuif ik deze periode even naar de achtergrond.
-17de tot 19de eeuw: in de 17de eeuw werd de Statenvertaling of Statenbijbel opgesteld en verspreid, de vertaling van de bijbel in de volkstaal. Opzet was een bijbel te maken die door elke gelovige gelezen en geïnterpreteerd kon worden, onder invloed van het opkomende protestantisme. Dit opzet heeft automatisch tot gevolg dat er een taal gehanteerd moest worden die door (zo goed als) alle Nederlandstaligen gelezen en begrepen moest worden. Naast de bijbel zelf werd dus het Nederlands als taal ook bestudeerd en beregeld, zodat we deze periode als de geboorte van het Nederlands als standaardtaal kunnen beschouwen. Vraag hierbij is: hoe werd de spelling geregeld? Ook deze periode schuif ik naar de achtergrond, omdat dat heel wat opzoekwerk gaat vragen.
-19de eeuw tot nu: in het begin van de 19de eeuw stelde Matthijs Siegenbeek voor het eerst èchte spellingregels op voor het Nederlands, een die in Nederland (niet in Vlaanderen, dat toen onder Napoleon zuchtte en waar het Nederlands niet meer dan een verzameling dialecten was) geruime tijd in gebruik is geweest. De spelling-Siegenbeek werd ondermeer opgevolgd door de spelling De Vries-Te Winkel, die nog steeds de echte basis is voor onze huidige spelling. Mijn opzet is nu al deze 'spellingen' door te nemen, en zo te weten te komen welke van de huidige regels uit die periode stammen en waarom ze nu zijn zoals ze zijn. Ik ben inmiddels begonnen met Siegenbeek, het is een stevig werkje (de Korte beschrijving telt bijna 300 pagina's) in een niet zo makkelijk leesbare taal. Zodra ik erdoorheen ben, schrijf ik een verslagje. Het is alvast duidelijk dat er zeker in die 19de eeuw stevig gebakkeleid is, en dat die heren geleerden dat bij voorkeur in diverse publicaties deden. Het leverde hen alleszins een lange bibliografie op. :-)
dinsdag 29 november 2011
Ou/au (1)
De verdeling tussen ou en au is er puur op basis van etymologie, want in het moderne Nederlands hoor je geen verschil. In de dialecten vaak wel, en dat heeft zo zijn redenen. Dialecten worden niet voor niets de 'schatkamer van de taal' genoemd. Ze bevatten vaak relicten van het Nederlands, oudere stadia die het niet tot de standaardtaal gebracht hebben. We zullen dat nog vaker zien bij andere voorbeelden.
Woorden die we nu in het Nederlands met een 'au' spellen, hebben die tweeklank altijd gehad, zelfs al van voor het Oud-Nederlands. 'Blauw', 'paus', 'pauw', het is altijd 'au', 'aë', 'ao' of iets dergelijks geweest. Ik moet het nog eens opzoeken, maar in de meeste van de huidige dialecten zal dit nog steeds een aa(ë)-achtige klank zijn.
De 'ou' daarentegen heeft verschillende mogelijke oorsprongen, en geen daarvan was een tweeklank. De bekendste, meest opvallende is de oorspronkelijke ol/al. Deze klankclusters zijn in het Nederlands een tweeklank geworden, maar we vinden ze wel nog terug in het Duits en Engels (Holz, alt, salz, to hold, cold, salt), èn in het oosten van Limburg. Het bekende Goederenregister van Oudenbiezen (het oudste goederenregister in het Middelnederlands, 1280-1344) is afkomstig uit een plaats die nu nog steeds ALdenbiezen heet. Ook in plaatsnamen zie je het nog hier en daar. Zo heb je in Belgisch Limburg de (historisch oudere) naam Spalbeek, en duikt diezelfde naam in Nederlands Limburg op als Spaubeek.
Een tweede ontwikkeling die tot de 'ou'-spelling heeft geleid is de oorspronkelijke, Oudnederlandse lange u of euw-klank, die in het Middelnederlands naar een 'ou' klank ontwikkelen. (van het oudsaksische 'breuwan' naar het Middelnederlandse 'brouwen') Ook dat zal wel nog hoorbaar zijn in diverse dialecten, dat zal ik nog uitzoeken.
Conclusie: 'au' wijst in de meeste gevallen op een klank die altijd een tweeklank is geweest, 'ou' op een klank die oorspronkelijk iets anders was.
Bronnen:
-Historische fonologie van het Nederlands, J. Van Loon, 1997 (derde druk)
-Etymologisch Woordenboek, J. de Vries & F. de Tollenaere, 1983
Woorden die we nu in het Nederlands met een 'au' spellen, hebben die tweeklank altijd gehad, zelfs al van voor het Oud-Nederlands. 'Blauw', 'paus', 'pauw', het is altijd 'au', 'aë', 'ao' of iets dergelijks geweest. Ik moet het nog eens opzoeken, maar in de meeste van de huidige dialecten zal dit nog steeds een aa(ë)-achtige klank zijn.
De 'ou' daarentegen heeft verschillende mogelijke oorsprongen, en geen daarvan was een tweeklank. De bekendste, meest opvallende is de oorspronkelijke ol/al. Deze klankclusters zijn in het Nederlands een tweeklank geworden, maar we vinden ze wel nog terug in het Duits en Engels (Holz, alt, salz, to hold, cold, salt), èn in het oosten van Limburg. Het bekende Goederenregister van Oudenbiezen (het oudste goederenregister in het Middelnederlands, 1280-1344) is afkomstig uit een plaats die nu nog steeds ALdenbiezen heet. Ook in plaatsnamen zie je het nog hier en daar. Zo heb je in Belgisch Limburg de (historisch oudere) naam Spalbeek, en duikt diezelfde naam in Nederlands Limburg op als Spaubeek.
Een tweede ontwikkeling die tot de 'ou'-spelling heeft geleid is de oorspronkelijke, Oudnederlandse lange u of euw-klank, die in het Middelnederlands naar een 'ou' klank ontwikkelen. (van het oudsaksische 'breuwan' naar het Middelnederlandse 'brouwen') Ook dat zal wel nog hoorbaar zijn in diverse dialecten, dat zal ik nog uitzoeken.
Conclusie: 'au' wijst in de meeste gevallen op een klank die altijd een tweeklank is geweest, 'ou' op een klank die oorspronkelijk iets anders was.
Bronnen:
-Historische fonologie van het Nederlands, J. Van Loon, 1997 (derde druk)
-Etymologisch Woordenboek, J. de Vries & F. de Tollenaere, 1983
Spelling: een geschiedenis (2)
Waar beginnen we onze zoektocht in dit kluwen? Wel, in Wikipedia natuurlijk! Hier is, tot mijn verrassing eigenlijk, een mooie samenvatting te vinden van de ontwikkeling van onze spelling:
http://nl.wikipedia.org/wiki/Geschiedenis_van_de_Nederlandse_spelling
Jammer genoeg niet veel nieuws onder de zon, die grote lijnen kende ik wel. De reden waarom we nu een gemengd etymologisch-fonetische spelling hebben (en niet puur het ene of het andere) zit hem in het feit dat onze huidige spelling nog steeds grotendeels gebaseerd is op de Spelling Devries-Te Winkel, een negentiende-eeuwse spelling die in de eerste plaats ontworpen is voor het Woordenboek der Nederlandsche Taal, een project dat overigens nog niet zo vreselijk lang geleden werd afgerond (2001). Daar waar zijzelf van mening waren dat mensen eigenlijk zelf vrij waren een woord te spellen hoe ze willen, mits ze het maar konden motiveren, werd hun spelling een kleine twintig jaar nadat ze die hadden opgesteld de 'officiële'. De eerste èchte officiële spelling die ook zo werd aangekondigd, is die van 1846/47. Het was ook het ontstaan van het fameuze Groene boekje. Sindsdien is er nog één grote hervorming geweest, in 1995. In de toekomst zullen er om de tien jaar kleine herzieningen gebeuren, maar de spellingregels zelf zullen niet meteen grondig hervormd meer worden.
De spelling-Siegenbeek doet, hoewel ouder, vaak moderner aan dan die van De Vries-Te Winkel, omdat de laatsten meer uitgingen vanuit het etymologische principe (waar komt het woord vandaan), terwijl voor Siegenbeek 'de spelling de beschaafde Hollandse uitspraak van een woord moest weergeven. Daarbij moest echter wel rekening gehouden worden met de principes van de gelijkvormigheid, de etymologie en de analogie.' Dus niet puur fonetisch, maar het was wel een belangrijke factor. We hebben het ook aan deze spelling te danken dat Nederlandse familienamen en plaatsnamen vaak moderner aandoen dan Vlaamse. Familienamen zijn nl. geregistreerd ten tijde van Napoleon. Voor Vlaanderen was dat al einde 18de eeuw, en toen was er geen andere spelling dan de plaatselijke, die uit het Middelnederlands was gegroeid. Nederland kwam later onder Napoleon terecht, enkele jaren nadat de spelling-Siegenbeek (min of meer) in gebruik gekomen was. Daarom zal je is het Vlaamse 'Vanderheyden' in Nederland 'Vanderhei(j)den'. Plan 1 is nu om de concrete regels van die verschillende 19de- en vroeg-20ste-eeuwse spellingen eens naast elkaar te plaatsen.
Er rijpt ook een plan 2, maar dat zal niet eenvoudig zijn. Om de ontwikkeling van ou vs. au en ei vs. ij te kunnen volgen, moet er niet alleen naar spelling, maar ook naar fonologie gekeken worden. In de volgende bijdrage neem ik ou/au voor een eerste keer onder de loep.
http://nl.wikipedia.org/wiki/Geschiedenis_van_de_Nederlandse_spelling
Jammer genoeg niet veel nieuws onder de zon, die grote lijnen kende ik wel. De reden waarom we nu een gemengd etymologisch-fonetische spelling hebben (en niet puur het ene of het andere) zit hem in het feit dat onze huidige spelling nog steeds grotendeels gebaseerd is op de Spelling Devries-Te Winkel, een negentiende-eeuwse spelling die in de eerste plaats ontworpen is voor het Woordenboek der Nederlandsche Taal, een project dat overigens nog niet zo vreselijk lang geleden werd afgerond (2001). Daar waar zijzelf van mening waren dat mensen eigenlijk zelf vrij waren een woord te spellen hoe ze willen, mits ze het maar konden motiveren, werd hun spelling een kleine twintig jaar nadat ze die hadden opgesteld de 'officiële'. De eerste èchte officiële spelling die ook zo werd aangekondigd, is die van 1846/47. Het was ook het ontstaan van het fameuze Groene boekje. Sindsdien is er nog één grote hervorming geweest, in 1995. In de toekomst zullen er om de tien jaar kleine herzieningen gebeuren, maar de spellingregels zelf zullen niet meteen grondig hervormd meer worden.
De spelling-Siegenbeek doet, hoewel ouder, vaak moderner aan dan die van De Vries-Te Winkel, omdat de laatsten meer uitgingen vanuit het etymologische principe (waar komt het woord vandaan), terwijl voor Siegenbeek 'de spelling de beschaafde Hollandse uitspraak van een woord moest weergeven. Daarbij moest echter wel rekening gehouden worden met de principes van de gelijkvormigheid, de etymologie en de analogie.' Dus niet puur fonetisch, maar het was wel een belangrijke factor. We hebben het ook aan deze spelling te danken dat Nederlandse familienamen en plaatsnamen vaak moderner aandoen dan Vlaamse. Familienamen zijn nl. geregistreerd ten tijde van Napoleon. Voor Vlaanderen was dat al einde 18de eeuw, en toen was er geen andere spelling dan de plaatselijke, die uit het Middelnederlands was gegroeid. Nederland kwam later onder Napoleon terecht, enkele jaren nadat de spelling-Siegenbeek (min of meer) in gebruik gekomen was. Daarom zal je is het Vlaamse 'Vanderheyden' in Nederland 'Vanderhei(j)den'. Plan 1 is nu om de concrete regels van die verschillende 19de- en vroeg-20ste-eeuwse spellingen eens naast elkaar te plaatsen.
Er rijpt ook een plan 2, maar dat zal niet eenvoudig zijn. Om de ontwikkeling van ou vs. au en ei vs. ij te kunnen volgen, moet er niet alleen naar spelling, maar ook naar fonologie gekeken worden. In de volgende bijdrage neem ik ou/au voor een eerste keer onder de loep.
maandag 28 november 2011
Spelling: een geschiedenis
Ik loop al een tijdje rond met het idee om de geschiedenis van onze moderne spelling eens uit te vlooien. Het is vrij algemeen bekend hoe we aan onze letters geraken (via een hele weg van spijkerschrift over Etrusken, Grieken en Romeinen tot het Latijn van onze geestelijken), en in de negentiende eeuw krijgen we de eerste echte spellingregels: de spelling Siegenbeeck. Maar daartussenin zitten een paar honderd jaar, waarin in 'een' Nederlands geschreven werd. Aangezien er Nederlandse klanken zijn die niet in het Latijn bestaan, en aangezien die middelnederlandse teksten in een bredere regio begrijpelijk moesten zijn, moet er toch een soort spellingconsensus bestaan hebben. En dat is het eerste wat ik de komende maanden wil uitzoeken.
Het tweede wat ik wil onderzoeken, is de oorsprong van de regels waarvan wij (enfin, de spellingkritischen onder ons) ons afvragen waarom het nu zus is en niet zo. Waarom bestaan er twee verschillende ei/ij-spellingen, en ou/au? Waar komt de dt-regel vandaan en waarom zijn er uitzonderingen op die stam+t (en waarom is dat zo'n hyperbelangrijke regel)? Hoe snel wordt een bastaardwoord 'vernederlandst' in de spelling? Waarom schrijven we wel 'hond' en niet 'muiz'? Enz. Ik heb mijn vermoedens, en die zal ik de komende dagen wel eens in deze blog neerschrijven, maar het is dus eigenlijk de bedoeling dat ik ook uitzoek of die vermoedens kloppen. En dan zien we wel wat we met het geheel doen.
Bij deze wil ik ook een oproep doen. Heb je vragen, kritische opmerkingen, tips voor spellingkwesties, laat ze me dan weten. Hoe meer, hoe liever.
Het tweede wat ik wil onderzoeken, is de oorsprong van de regels waarvan wij (enfin, de spellingkritischen onder ons) ons afvragen waarom het nu zus is en niet zo. Waarom bestaan er twee verschillende ei/ij-spellingen, en ou/au? Waar komt de dt-regel vandaan en waarom zijn er uitzonderingen op die stam+t (en waarom is dat zo'n hyperbelangrijke regel)? Hoe snel wordt een bastaardwoord 'vernederlandst' in de spelling? Waarom schrijven we wel 'hond' en niet 'muiz'? Enz. Ik heb mijn vermoedens, en die zal ik de komende dagen wel eens in deze blog neerschrijven, maar het is dus eigenlijk de bedoeling dat ik ook uitzoek of die vermoedens kloppen. En dan zien we wel wat we met het geheel doen.
Bij deze wil ik ook een oproep doen. Heb je vragen, kritische opmerkingen, tips voor spellingkwesties, laat ze me dan weten. Hoe meer, hoe liever.
Abonneren op:
Reacties (Atom)